Werkwoorden Oefenen met Krijtparcours

Werkwoorden Oefenen met Krijtparcours

🎂 6 + jaar ⏱️ 20 min 📍 Overal ⭐ sportief

Stel je voor dat je schoolplein of de tuin achter je huis verandert in een groot beweegparcours. Op dit parcours wachten niet alleen lijnen en bochten, maar ook woorden die je in beweging brengen. Woorden die je vertellen wat je moet doen. Woorden die je laten giechelen omdat je plotseling begint te springen of te klappen. Deze woorden heten werkwoorden. Misschien ken je ze ook als 'doe-woorden'. Ze vertellen je altijd wat iemand doet. Als je rent, springt, lacht of huppelt, dat zijn allemaal werkwoorden. Vandaag gaat het erom werkwoorden niet alleen te lezen of op te schrijven, maar ze zelf uit te proberen. Je lichaam is daarbij het belangrijkste gereedschap. Wanneer je een werkwoord doet, blijft het beter in je hoofd hangen. En het is leuk omdat leren en bewegen samenkomen.

Anzeige

Wat je nodig hebt

  • Krijt

Zo werkt het

  1. Zoek een plek waar je met krijt mag tekenen. Dat kan je tuin zijn, het trottoir voor je huis of het schoolplein. Zorg ervoor dat er geen auto's komen.

  2. Denk na over een lijst met werkwoorden. Begin met eenvoudige zoals 'springen', 'rennen', 'huppelen', 'klappen'. Probeer daarna ook ongebruikelijkere: 'sluipen', 'draaien', 'rollen', 'stampen', 'kruipen'. Hoe meer ideeën je hebt, hoe spannender het parcours wordt.

  3. Teken een lijn met krijt. De lijn kan recht, gebogen of kronkelig zijn. Voeg ook kleine obstakels toe: zigzags, cirkels of spiralen. Schrijf op bepaalde plekken je werkwoorden. Werkwoorden worden altijd met een kleine letter geschreven.

  4. Ga aan de start staan. Lees het eerste werkwoord. Je lichaam doet meteen wat er staat. Spring tot het volgende woord komt. Lees het. Doe het. En zo verder. Probeer de hele afstand zonder pauze vol te houden.

  5. Als je het parcours de eerste keer leuk vond, kun je het elke keer een beetje veranderen. Probeer het eens achteruit en kijk of je de werkwoorden toch kunt doen.

  6. Als je al zekerder bent, kun je het parcours nog moeilijker maken. Nu speel je een ronde alleen met het voornaamwoord 'ik'. Je zegt dus hardop: 'Ik spring!' enzovoort. In de volgende ronde neem je 'jij'. Dan roep je: 'Jij springt!' en maakt de beweging voort.

  7. Daarna komt 'hij' of 'zij'. Je zegt: 'Hij springt!' of 'Zij springt!' terwijl je springt. Zo ga je verder met 'wij', 'jullie' en 'zij'. Je merkt hoe het werkwoord verandert als er een ander voornaamwoord voor staat. Zo wordt leren een spel dat nooit saai wordt.

Dit leren kinderen hiervan

  • Fantasie & sociale verbondenheid
  • Taal & expressie